kán
/ˈkɑn/
Betekenis
werkwoord
- (spreektaal) persoonsvorm van kunnen in de tegenwoordige tijd als benadrukt wordt dat iets mogelijk hoort te zijnToch nog kampioen worden? Jij kán het, maar alleen als je er zelf in blijft geloven!
- (spreektaal) persoonsvorm van kunnen in de tegenwoordige tijd in een ontkennende zin als benadrukt wordt dat iets moreel niet mogelijk isHem verraden? Dat kán ik niet.
- (spreektaal) persoonsvorm van kunnen in de tegenwoordige tijd als benadrukt wordt dat iets mogelijk, maar niet waarschijnlijk of kansrijk lijktZijn baas kán het proberen.
zelfstandig naamwoord
- (spreektaal) kan als dat in een zin bijzondere nadruk krijgt in tegenstelling met een ander zinsdeel of een eerdere uitspraakVraag je om een kopje, komt ze met een hele kán!
Etymologie
*beklemtoonde vorm van kan volgens spellingregel spellingregel 5.A
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek