Kaan
mannelijk/vrouwelijk (de)/kan/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- knapperig uitgebakken overblijfsel van een stuk(je) varkensspek ook wel uitgebakken speklap, (met of zonder zwoerd)
- (verouderd) een vliezige bovenlaagOp beschimmelend bier vormt zich een kaan.
- (scheepvaart) schip of scheepje, bootje, schuitje in het bijzonder van zekere vrachtschepen, varend op de Noordduitse rivieren
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits (Kahn), in de betekenis van ‘bootje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek