kabelaring

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) een relatief kort stuk dik kabeltouw dat in de scheepvaart gebruikt wordt om andere trossen zoals een ankertros of zware sleeptros binnen te halen

Etymologie

* Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘kabeltouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1652