kabelaring
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) een relatief kort stuk dik kabeltouw dat in de scheepvaart gebruikt wordt om andere trossen zoals een ankertros of zware sleeptros binnen te halen
Etymologie
* Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘kabeltouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1652
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek