kalk
mannelijk (de)/ˈkɑl(ə)k/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheikunde) (bouwkunde) aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium, zoals calciumoxide (ook wel ongebluste kalk), calciumhydroxide (gebluste kalk) en calciumcarbonaat en calciumwaterstofcarbonaat
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bouwmateriaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelslime
Franschaux
Spaanscalcio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek