kammen

/kɑmə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met een kam haar in orde brengen
    Zij is bezig haar haar te kammen.
    Zijn grote baard die hij elke dag aandachtig kamde was even breed als lang.

Etymologie

*afgeleid van kam

Vertalingen

Engelscomb
Franspeigner
Duitskämmen
Spaanspeinar
Poolsczesać
Deenskæmme