kampeerster

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon, kamperen (persoon), (kamperen) vrouw die kampeert in een tent of caravan op een camping
    "Dit is toch hartstikke leuk. Er is wat actie", zegt een kampeerster in Emmeloord bij Omroep Flevoland. "Ik ben 97 en ik heb veel gekampeerd. Nu kan dat niet meer, maar ik krijg op deze manier toch weer een beetje het campinggevoel."
    "Wat wij hier de hele dag doen?" Een kampeerster somt op: "Haken, breien, puzzels oplossen, lekker kletsen met elkaar. En de mannen hakken hout, stoken vuurtje. Heerlijk. En we houden het altijd warm. Kamperen in de winter oké, maar kou lijden doen we niet. We hebben op meerdere plekken kachels."

Etymologie

* van kamperen