kan
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (huishouden) serviesgoed om vloeistoffen uit te schenkenDe kan heeft een deksel en is beschilderd in groen en bruin.Een kan met melk.
zelfstandig naamwoord
- (adel) Mongoolse of Turkse krijgsheer of vorstHij was ontroerd door het verhaal van de laatste Tataarse kan.
Etymologie
*[C] als vorm van "kunnen" (Oudnederlands "kunnan" aangetroffen vanaf 1100
Uitdrukkingen
- alles is in kannen en kruiken
- het onderste uit de kan (willen hebben){{citeer b
- als de wijn is in de man, dan is de wijsheid in de kan
- wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid (of: de deksel) op de neus.
Vertalingen
Engelsjug, can
DuitsKanne, Khan
Deenskande
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek