kan

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
    De kan heeft een deksel en is beschilderd in groen en bruin.
    Een kan met melk.
zelfstandig naamwoord
  1. adel (adel) Mongoolse of Turkse krijgsheer of vorst
    Hij was ontroerd door het verhaal van de laatste Tataarse kan.

Etymologie

*[C] als vorm van "kunnen" (Oudnederlands "kunnan" aangetroffen vanaf 1100

Uitdrukkingen

  • alles is in kannen en kruiken
  • het onderste uit de kan (willen hebben){{citeer b
  • als de wijn is in de man, dan is de wijsheid in de kan
  • wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid (of: de deksel) op de neus.

Vertalingen

Engelsjug, can
DuitsKanne, Khan
Deenskande