kandelaar

mannelijk (de)/ˈkɑndəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. standaard waarop één of meer kaarsen geplaatst kunnen worden

Etymologie

*via Middelnederlands "candelere" van "candelier", in de betekenis van ‘kaarsdrager’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • om der wille van de smeer likt de kat de kandeleer

Vertalingen

Engelscandlestick
Franschandelier
DuitsLeuchter
Spaanscandelero, candelabro