kanselier
mannelijk (de)/ˌkɑnsəˈlir/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (regering) eerste ministerToen Hitler in 1933 kanselier van Duitsland werd, was dat het begin van het einde van de Duitse democratie
- hoofd van een griffieReeds de Romeinse keizers hadden kanseliers in dienst.
Etymologie
*via Middelnederlands "cancellier" van "chancelier", in de betekenis van ‘hoogwaardigheidsbekleder’ aangetroffen vanaf 1293
Vertalingen
Engelschancellor, chancellor, chancelier
Franschancelier
DuitsKanzler, Kanzler
Spaanscanciller, canciller
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek