kapel
mannelijk/vrouwelijk (de)/kaˈpɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klein kerkgebouwNiet ver van de grote parochiekerk ligt op heuveltje een kapel opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw.
- plaats in een gebouw of kerk voor speciale aanbiddingenDe prinses werd gedoopt in de kapel van het koninklijke paleis.
- (muziek) muziekgezelschap eigenlijk als onderdeel van een grotere organisatie, maar ook wel gebruikt voor zelfstandige orkestenDe kapel speelde marsmuziek.
- (verouderd) benaming voor nectar etende insecten uit de orde , met vier vaak gekleurde vleugels, bedekt met heel kleine schubben
Etymologie
*[4]: van Middelnederlands "capelle" / "coppel", mogelijk teruggaand op Latijn "capella" omdat het gefladder van het insect aan een mantel doet denken
Vertalingen
Engelschapel
Franschapelle
DuitsKapelle
Spaanscapilla
Italiaanscappella
Russischкапелла, придел, часовня
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek