kapelaan
mannelijk (de)/ˌkɑpəˈlan/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (beroep) een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochieDe laatste tijd zijn de kapelaans erg in opspraak [http://www.nu.nl/binnenland/3362800/vrouwen-grootste-slachtoffers-van-misbruik-kerk.html www.nu.nl]
- (geschiedenis) geestelijke, verbonden aan een kapel
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘hulppriester’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelschaplain
Franschapelain
DuitsKaplan
Spaanscapellán, vicario
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek