kapelanij

vrouwelijk (de)/ˌkɑpəlaˈnɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) instelling met een eigen vermogen dat gebruikt wordt om een kapel in stand te houden en daarin missen op te dragen, ook gebruikt als aanduiding voor de betreffende kapel
    Deze kapelanij ter ere van de H. Alexius bestond reeds vóór 1455, want ze verschijnt in dit jaar als een kapelanij, gevestigd in het hospitaal met de verplichting tot twee missen per week.
  2. religie (religie) ambtswoning of ambtsgebied van een hulppastoor
    In februari 1461 is Busnois gesignaleerd als kapelaan aan de kathedraal van Tours (…). Busnois werd er ongetwijfeld ingeschakeld in het koorgebed en de diverse diensten verbonden aan zijn kapelanij.

Etymologie

*afgeleid van "kapelaan"