kapitein
mannelijk (de)/ˌkapiˈtɛin/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschipDe kapitein stond op het dek.
- (beroep) (militair) een rang in de militaire hiërarchie, net boven die van luitenant en anderzijds lager dan die van majoorOmdat ze een vrij klassiek beeld had van de oorlog was ze er snel van overtuigd dat Albert 'met zijn intelligentie' na korte tijd zou uitblinken, promotie zou maken en ze zag hem al in de voorste linie in de aanval gaan. Ze stelde zich voor dat hij een heldendaad verrichtte, meteen officier werd, kapitein, commandant of meer nog, generaal, die dingen gebeuren tijdens de oorlog. {{Aut|Lemaitre, PierreDat gold in gelijke mate voor allebei hun zonen. In werkelijkheid was het natuurlijk niet helemaal in gelijke mate, dat besefte hij heel goed. Het was een aanzienlijk verschil om zoals zijn zoon Karl uit de oorlog te komen als kapitein van de marinereservisten met een diploma van de Handelshogeschool en verzekerd te zijn van werk in het familiebedrijf of zoals haar zoon Hjalmar een afgedankte sergeant te zijn zonder verdere opleiding. Maar in principe was het hetzelfde, aan klassenverschillen kon je niet veel doen.
- (geschiedenis) door het bestuur erkend hoofd van een wat grotere etnische groep in een plaats in Nederlands-Indië
- (figuurlijk) (schertsend) iemand die doet alsof hij de baas isIk ben geen thrill-seeker en om met zes kapiteins een onbekend pad te gaan lopen leek mij niet erg verstandig, maar toch sloot ik me aan bij plan B.
Etymologie
*Van Latijn capitaneus (iemand van hoge rang), van Latijn caput (hoofd).
Vertalingen
Engelscaptain, captain
Franscapitaine, capitaine
DuitsKapitän, Hauptmann
Spaanscapitán
Italiaanscapitano
Portugeescapitão
Turkskaptan
Zweedskapten
Deenskaptajn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek