kappen

/'kɑpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) het hoofdhaar knippen en in model brengen
  2. ov (ov) een boom onderaan met een bijl hakken tot die omvalt
    Voordat een perceel bos dat onder de Boswet valt wordt gekapt, moet een kapmelding gedaan worden.
  3. ov (ov) met een snelle slag met een mes of bijl een verbinding verbreken
    Hij kapte de hopeloos vastzittende ankerlijn.
  4. erga (erga) ~ met iets: ophouden met iets te doen
    Hij was er lang enige tijd mee gekapt.

Etymologie

* In de betekenis van ‘haar opmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1717

Uitdrukkingen

  • kappen metergens voorgoed mee ophouden

Vertalingen

Engelschop
Duitsfrisieren, fällen, kappen