karbouw
mannelijk (de)/kɑrˈbɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) (landbouw) bepaald soort zoogdier, , een tot de runderen behorend trekdier dat veel gebruikt wordt op rijstveldenIn Indonesië is een karbouw een alledaagse verschijning.De geest van de gestorvene wordt uitgeleide gedaan naar de andere wereld door hem of haar overvloedige geschenken mee te geven: karbouwen (waterbuffels), varkens, rijst.
Etymologie
*van "kerbau", in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in 1786
Vertalingen
Engelswater buffalo
DuitsWasserbüffel
Portugeesbúfalo
Koreaans물소
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek