kassa
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɑsa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (handel) een plaats in een winkel waar men zijn aankopen betaaltDe klant gaat naar de kassa om zijn boodschappen te betalen.
- (toneel) een plaats in een theater waar men zijn tickets reserveert of betaaltDe bioscoopgangers moeten lang aanschuiven aan de kassa voor ze naar binnen kunnen gaan.
- (techniek), (handel) een machine in een winkel om van een klant ontvangen geld te registreren en te bewarenDe winkelier steekt het ontvangen geld in de kassa.
Etymologie
*Afkomstig van het Italiaanse cassa
Vertalingen
Engelscash desk, box office, cash register
Franscaisse, guichet, caisse
Spaanscaja, taquilla, caja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek