katsjoe

mannelijk (de)/kɑtˈʃu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ingedroogd aftreksel (bruin) uit het hout van acacia's of (geel) de bladeren van Katsjoe bevat veel tannine en wordt gebruikt als looi- en verfstof, als samentrekkend geneesmiddel of als additief bij voedsel of snoep
    Het beste resultaat bereikt men door de katsjoe in een netje te doen en op te lossen in kokend water. (…) Het tanen wordt meestal toegepast bij touwwerk, dat langdurig onder water moet blijven of veel en langdurig aan de buitenlucht wordt blootgesteld.
  2. elastisch, waterdicht materiaal, gewonnen uit de rubberboom of synthetisch gemaakt
    Zij: "En waarom geven jouw collega's jou katsjoe botten? Very girly, Goovaerts" Ik: "Opdat ik op de voetbal geen kou zou krijgen."

Etymologie

*[2] verbastering van caoutchouc