katwilg

mannelijk (de)/ˈkɑtwɪlᵊx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort loofboom , die inheems is in de Benelux en tot 10 meter hoog kan worden, waarvan de tenen worden gebruikt als rijshout
    Na twee jaar zijn die tenen vier tot vijf meter lang en precies dik genoeg voor stevige constructies. Op de grienden van Johan Hermans groeien schietwilg en katwilg.De Standaard 08 NOVEMBER 2002 door Yo De Beule [http://www.standaard.be/cnt/dexa08112002_012 Tenen en grienden]

Etymologie

*, vanwege de bloeiwijze met wilgenkatjes

Vertalingen

Engelscommon osier, basket willow, osier