kauwen

/xxxx/

Wat is de betekenis van kauwen?

kauwen betekent: (m.b.t. voedsel) fijnmaken met de tanden

Betekenis

werkwoord
  1. (m.b.t. voedsel) fijnmaken met de tanden

Voorbeelden van "kauwen" in een zin

  • Rond elf uur hield ik het niet meer en nam één hap van mijn Snicker. Ik kauwde zorgvuldig om optimaal te genieten van de nougat, pinda’s, karamel en melkchocolade.

Betekenis en uitleg van kauwen

Kauwen is het proces waarbij je voedsel met je kiezen of voortanden in kleinere stukjes vermaalt, zodat het gemakkelijker te slikken en te verteren is. Het is een essentieel onderdeel van eten, waarbij je de smaken goed kunt waarnemen en je lichaam zich voorbereidt op de spijsvertering.

Het woord 'kauwen' gebruik je vaak wanneer je praat over de manier waarop je voedsel consumeert, vooral bij het genieten van een maaltijd. In sociale situaties benadrukt goed kauwen de etiquette aan tafel, terwijl het ook belangrijk is voor je gezondheid, omdat goed kauwen kan bijdragen aan een betere spijsvertering. Daarnaast kan het ook metaforisch gebruikt worden, zoals in 'de tijd nemen om goed te kauwen op een idee'.

Voorbeelden

  • De kinderen zaten gezellig aan tafel en kauwden langzaam op hun versgebakken broodjes.
  • Tijdens de lunch had ik de tijd om goed na te denken en op het voorstel van mijn collega te kauwen.
  • De hond kauwde met veel plezier op zijn nieuwe speeltje, terwijl het geluid van het plastic door de kamer weerklonk.

Woordoorsprong

Het woord 'kauwen' komt van het Oudnederlands 'kouwen', wat verwant is aan het Duitse 'kauen', en heeft een lange geschiedenis in de beschrijving van het malen van voedsel in de mond.

Veelgestelde vragen over kauwen

Wat is de betekenis van kauwen?

kauwen betekent: (m.b.t. voedsel) fijnmaken met de tanden

Hoe gebruik je kauwen in een zin?

Voorbeeld: “Rond elf uur hield ik het niet meer en nam één hap van mijn Snicker. Ik kauwde zorgvuldig om optimaal te genieten van de nougat, pinda’s, karamel en melkchocolade.

Etymologie

*(erfwoord) Van *kewwanan.

Vertalingen

Engelschew
Fransmâcher
Duitskauen
Spaansmasticar
Italiaansmasticare
Poolsżuć
Zweedstugga
Deenstygge