kaviaar
mannelijk (de)/ˌkaviˈjar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) De onbevruchte eitjes van de steur
Etymologie
* Leenwoord uit het Turks, in de betekenis van ‘viskuit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481-1485
Vertalingen
Engelscaviar
DuitsKaviar
Spaanscaviar
Portugeescaviar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek