kazuifel
/kaˈzœyfəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de misHet kazuifel dat de priester daaroverheen aantrekt, betekent de naastenliefde die elke priester in zo volmaakt mogelijke vorm moet bezitten, dat hij andere mensen overtreft in deugden, net zoals dit gewaad over de andere kleren heen gaat. Naastenliefde is immers de moeder van alle deugden.
- hesje dat over de kleren wordt gedragen, bijvoorbeeld om beter zichtbaar te zijn in het verkeerDe personen die een specifieke functie uitoefenen in de (medische) hulpverleningsketen, zijn herkenbaar via een gele kazuifel, met functievermelding in een fluorescente rechthoek omgeven door een boord bestaande uit een dubbele rij vierkante blokken die afwisselend reflecterend grijs en groen zijn.
Etymologie
* via Middelnederlands "casufel" van middeleeuws Latijn "casubula", in de betekenis van ‘deel van misgewaad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Vertalingen
Engelscassock, chasuble
Franschasuble
DuitsKasel, Messgewand
Spaanscasulla
Italiaanscasula
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek