keizer

mannelijk (de)/ˈkɛizər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, adel, regering (beroep) (adel) (regering) een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
    Keizer Karel V verenigde de zeventien Nederlanden tot een eenheid met een gezamenlijke Staten-Generaal.
    De synodes werden gecentraliseerd en kregen uiteindelijk hun als verenigingen hoofdkwartier in Rome gewijd aan de gymnasiumgod Herakles en de keizer zelf - die immers ook als een god werd vereerd.
    Het ziet ook dat keizer Titus, die wordt gespeeld door een forse acteur, andermans kinderen in een pastei propt.

Etymologie

*(eponiem): via Middelnederlands "keiser" en Oudnederlands "keser" van Latijn "Caesar", de naam van de Romeinse heerser , in de betekenis van ‘titel van de hoogste vorst’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Uitdrukkingen

  • Een keizer zonder klerenIets wat of iemand die de indruk wekt gezaghebbend te zijn, maar in werkelijkheid weinig of niets voorstelt/kan uitrichten
  • Geef de keizer wat des keizers is.Geef aan de overheid wat haar toekomt.
  • Vechten om s keizers baard.Vechten, ruziemaken om niets
  • Waar niets is, verliest de keizer zijn recht.Op iemand die zelf toch al niets bezit, kan niets worden verhaald.

Vertalingen

Engelsemperor
Fransempereur
DuitsKaiser
Spaansemperador
Italiaansimperatore
Portugeesimperador
Russischимператор, царь
Poolsimperator, cesarz
Zweedskejsare
Deenskejser