kelder

mannelijk (de)/ˈkɛldər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vertrek (vertrek) een ondergrondse bergruimte in een woning
    Staan er nog flessen wijn in de kelder?
    Misschien heeft ze hem wel in de kelder verstopt.
    Beneden in de kelder opende Lyckle de deur van een van de zijruimtes.
  2. scheepvaart (scheepvaart) de bodem van de zee

Etymologie

* Van Oudnederlands kellera , verder te herleiden tot Latijn cellarium. In de betekenis van ‘deel van gebouw onder de begane grond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Naar de kelder gaanVerongelukken (en met een schip: zinken)

Vertalingen

Engelscellar, basement
Franscellier, cave
DuitsKeller
Spaanssótano
Japans地下室, ちかしつ, chikashitsu
Poolspiwnica