kennel
mannelijk (de)/ˈkɛ.nəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- onderkomen voor (meerdere) honden (of katten)- „Als ik niet meer leef word ik eerst hier beneden opgebaard, zodat de katten dicht bij me kunnen zijn. Daarna gaan de katten mee naar de begrafenis; in hun kennels staan ze dan rond mijn kist. Maar ik word honderd hoor.” NRC Thijs Wolzak 6 november 2016
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels "kennel", ontleend aan Noord-Frans (Picardisch) *"kenil" (= mod. Frans "chenil") , in de betekenis van ‘hondenhok voor de fok’ voor het eerst aangetroffen in 1886.
Vertalingen
Engelsdog-kennel, kennel
Franschenil
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek