kerkdienaar

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. leek die klusjes doet in een kerkgebouw
    Een koster van de kerk in Krimpen aan den IJssel bood direct na het incident al wel excuses aan namens de kerk. ,,Het doet ons veel verdriet", zei hij. De verdachte, een 43-jarige man, werd nog tijdens de kerkdienst door een kerkdienaar naar buiten geleid en daar aangehouden.
  2. voorganger in een kerkdienst
    Nadat de ceremonie van de verloving had plaatsgevonden, spreidde een kerkdienaar midden in de kerk voor de lessenaar een roze, zijden kleed uit en het koor zette een psalm in op een prachtige, uiterst gecompliceerde melodie, waarbij bas en tenor met elkaar respondeerden.

Vertalingen

Engelssacristan, sexton