kerkganger
mannelijk (de)/ ˈkɛrkχɑŋər /
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen (mannelijke vorm)Als organist val je in een kerkdienst gemiddeld genomen wat meer op dan een gemiddelde kerkganger.
Etymologie
*Samenstellende afleiding van kerk en gang
Vertalingen
Engelschurchgoer
DuitsKirchengänger, Kirchgänger
Spaansfeligrés
Deenskirkegænger
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek