kerkzak

mannelijk (de)/ˈkɛrᵊkˌsɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buidel waarin men geld kan stoppen tijdens de collecte in de kerk
    En als de kinderen blijven zeuren om spullen dan kunnen ouders, net als vroeger, oprecht zeggen: ‘heb ik niet, krijg je niet’. U hoort misschien ondertussen wel hoe enthousiast ik ben. En dat klopt. Vooral omdat een bezoekje aan de kerk gratis is. Nou ja gratis. De bedoeling is misschien wel dat u een duit in het bekende kerkzakje doet. De Telegraaf Jeffrey Wijnberg 1 juli 2013 [https://www.telegraaf.nl/vrouw/1095454/vroeger-wordt-nu Vroeger wordt nu]
    Ik vergeet te vertellen dat je in de Ghanese kerk wel moest betalen voor de inzegening. Want, zo brulde de enorme pastoor met het uiterlijk van een worstelaar: “Hoe meer we doneren aan de kerk, hoe sterker de zegening.” En daar ging het kerkzakje weer, zodat mensen er nog iets meer geld in konden stoppen. Iedereen doneerde er, kijkend naar de gift van de buren, nog meer munten in. Want wie wil er nu een waardeloos gezegende kip? HP de Tijd Iris Hannema 17 juni 2013 [https://www.hpdetijd.nl/2013-06-17/habemus-harley/ Habemus Harley!]