keten
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈketə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerpEn men stelde zich voor hoe de machtige Nicolaas, ieder jaar op zijn feestdag, de duivel in ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde.
- (figuurlijk) iets waardoor men gebonden is, dat de vrijheid belemmertHij wist zijn ketenen te verbreken en zijn vrijheid te herwinnen.
- (figuurlijk) onderling in verband staande rij van gelijksoortige zakenHet eiland wordt doorsneden door een keten van vulkanen.
- (figuurlijk) vergelijkbare bedrijven op verschillende plaatsen die samen naar hun klanten als een geheel functionerenHij bouwde het eethuisje van zijn ouders uit tot een keten van restaurants.
- (figuurlijk) in de tijd opeenvolgende reeks van gelijksoortige verschijnselenHet conflict ontstond door een keten van misverstanden.
- aantal doorlopen gerelateerde stappen in een proces„Ik vind het vooral vervelend dat iedereen in de keten ná mij wel geld aan mijn aardappelen verdient. Van de vrachtwagenchauffeur die ze komt halen, tot de frietfabriek, de supermarkt en iedereen ertussen.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/12/25/bij-aardappelboer-maarten-van-der-loo-blijven-bergen-piepers-liggen-zo-erg-is-het-nog-nooit-geweest-a4916132 www.nrc.nl (25 dec 2025)]
werkwoord
- (inerg) (informeel) lol trappen, op een rumoerige manier plezier hebben
Etymologie
*[C] "keet" "gebouwtje voor tijdelijk verblijf" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelschain
DuitsKette
Spaanscadena
Zweedskedja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek