ketterij

vrouwelijk (de)/ˌkɛtəˈrɛɪ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
    Het uitbannen van tot ketterij bestempelde opvattingen kreeg vorm in de vervolging van de aanhangers van dergelijke opvattingen door lokale kerken en de wereldlijke macht.

Etymologie

*afgeleid van ketter .

Vertalingen

Engelsheresy
Franshérésie
DuitsKetzerei
Spaansherejía
Italiaanseresia
Deenskætteri