keuken

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkøːkə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
    De keuken in mijn huis is vrij groot.
    Gijs De gids - hij heet Giorgos, maar onder elkaar noemen we hem Gorgel - heeft geregeld dat ik een rondleiding krijg door de keuken van het dorpsrestaurant.
    Barbie en ik sloten ons uren op in de keuken om het feestmaal voor te bereiden.
  2. figuurlijk, kookkunst (figuurlijk) (kookkunst) de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
    De Indische keuken is lekker en gezond.
    Ik probeer vooral niet over te komen als een inspecteur van de Griekse Keuringsdienst, maar acteer een dolenthousiaste Nederlandse gastrofiel met een voorliefde voor de Griekse keuken.

Etymologie

*Via het Laatlatijnse cocina van coquina

Vertalingen

Engelskitchen, cuisine
Franscuisine
DuitsKüche, Küche
Spaanscocina, cocina
Italiaanscucina, cucina
Turksmutfak
Poolskuchnia, kuchnia
Zweedskök, kök