kies
mannelijk/vrouwelijk (de)/kis/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie), (tandheelkunde) een vrij grote tand die achter in de mond staatIk had pijn in mijn kies, maar de tandarts kon het verhelpen.
- (geologie) in de natuur voorkomende verbinding van zwavel met een metaal
Etymologie
* In de betekenis van ‘kieskeurig, welvoeglijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1610
Uitdrukkingen
- Dat kan wel in mijn holle kies — Het is niet veel.
- Het voor zijn kiezen krijgen — Het zwaar te verduren krijgen.
- Iets achter de kiezen hebben — Iets afgehandeld/verwerkt hebben, m.n. gezegd van iets moeilijks.
Vertalingen
Engelsmolar
Fransmolaire
Spaansmuela
Turksazı, azı dişi, öğütücü diş
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek