kies

mannelijk/vrouwelijk (de)/kis/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie, tandheelkunde (anatomie), (tandheelkunde) een vrij grote tand die achter in de mond staat
    Ik had pijn in mijn kies, maar de tandarts kon het verhelpen.
  2. geologie (geologie) in de natuur voorkomende verbinding van zwavel met een metaal

Etymologie

* In de betekenis van ‘kieskeurig, welvoeglijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1610

Uitdrukkingen

  • Dat kan wel in mijn holle kiesHet is niet veel.
  • Het voor zijn kiezen krijgenHet zwaar te verduren krijgen.
  • Iets achter de kiezen hebbenIets afgehandeld/verwerkt hebben, m.n. gezegd van iets moeilijks.

Vertalingen

Engelsmolar
Fransmolaire
Spaansmuela
Turksazı, azı dişi, öğütücü diş