kindertijd

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode waarin men de leeftijd van een kind heeft
    Ze had haar kindertijd tenslotte in Dresden doorgebracht.
    Beleefde ze vroeger, vóór haar achttiende, ook al zulke junimaanden? We overgieten onze kindertijd vaak met zonlicht, maar zo herinnert ze zich die jaren niet.
    Jaloezie, meende hij, ging niet samen met echte liefde, en kon zelfs het aangaan van 'gewone' sociale relaties in de weg staan É Alle reden dus om die kwalijke toestand al in de kindertijd uit te roeien.

Vertalingen

Spaansniñez