kist

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrij grote stevige rechthoekige doos voor opslag of vervoer van losse goederen
    In de hoek van de vliering valt haar oog op een kist die onder een balk is gepropt.
    Ze verschuift om meer profijt te hebben van het maanlicht en kijkt naar de schatten in de kist.
    Thea pakt een stapeltje uit de kist en maakt het touwtje los.
  2. als 1: datgene waarin iemand ter aarde besteld wordt
  3. vliegjargon vliegtuig
  4. grove schoen, legerlaars, "legerkist"
    Als hij zelfverzekerd door de loopgraven beende en zich tot de mannen richtte, kon hij net zo veel enthousiasme als hij wilde in zijn woorden leggen als hij refereerde aan de verpletterende nederlaag van de vijand die met een laatste salvo de genadeslag zou krijgen, maar de mannen gaven hem alleen wat vaag gemopper ten antwoord en stemden voorzichtigheidshalve zwijgend toe door naar hun kistjes te kijken. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bak met deksel’ voor het eerst aangetroffen in 1237

Vertalingen

Engelsbox
Spaanscaja, arca, arcón
Turkskutu