klank
mannelijk (de)/klɑŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduidDe geluiden in de natuur waren veel meer gelaagd dan ik tot dusver had ervaren. De verschillende klanken van het vogelgezang, het constante gezoem van de krekels en het hoge ruisen van de wind in de boomtoppen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘geluid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
Engelssound
Fransson, sonorité, timbre
DuitsKlang, Laut
Spaanssonido, son, tono
Italiaanssuono
Portugeessom
Zweedsljud
Deenslyd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek