klas

vrouwelijk (de)/klɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs (onderwijs) een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
    Bij haar in de klas zitten veel goede leerlingen.
    Straks komt Jani op school en staat de halve klas verwijfd met een handje te wapperen.
    ‘Welcome to Paradise, what will it be?’ Voor me stond een ronde dame vol tattoos, die in haar jonge jaren vast de het mooiste meisje van de klas was geweest.
  2. onderwijs (onderwijs) een leerjaar op school
    Zij zit in de tweede klas.
    Ik kan plassen zonder geluid te maken, dat heb ik mezelf geleerd toen ik op schoolreisje ging in de zesde klas van de basisschool.
  3. onderwijs (onderwijs) een klaslokaal
    Ik heb mijn rekenmachine nog in de klas liggen.
    Nikki steekt haar vinger op alsof ze in de klas zit.
  4. klasse in het openbaar vervoer, in ziekenhuizen enz. met verschil in prijs en voorzieningen

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘groep’ voor het eerst aangetroffen in 1591

Vertalingen

Engelsclass, form, grade
Fransclasse, classe, classe
DuitsKlasse, Klasse, Schulzimmer
Spaansclase, clase, clase