klem
mannelijk/vrouwelijk (de)/klɛm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan wordenAls je de twee gelijmde stukken een nachtje in de klem zet, komen ze goed vast te zitten.Grote omgevallen boomstammen zaten klem tussen de rotsen en waren geheel kaal en afgestompt door de sterke stroming die miljoenen liters smeltwater per dag uit de bergen moest verwerken.
Uitdrukkingen
- klem zetten — iemand dwingen
- met klem vragen — met grote nadruk vragen
Vertalingen
Engelsclamp
Fransmâchoire
DuitsKlemme, Klammer
Spaansabrazadera
Zweedsklämma
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek