kletserij

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. inhoudsloos gepraat
    Met veel geestdrift keek hij niet terug op deze periode. Vooral echter de invoering van de Mamoetwet betekende voor hem een dieptepunt: ‘[...] voor mij een bron van eindeloze kletserij en nivellering.’ Zonder weemoed verliet hij dan ook in 1969 het onderwijs, waarbij tekenend voor zijn aversie tegen de Mammoetwet was, dat hij het aanbod van een afscheid in aanwezigheid van de staatssecretaris van de hand wees. (1990)– [tijdschrift] Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde [1901-2000] [https://www.dbnl.org/tekst/_jaa003199001_01/_jaa003199001_01_0009.php Sijbrand Keyser Tessel 18 januari 1904 - Alkmaar 30 december 1989]

Etymologie

* van kletsen