klinken
/ˈklɪŋkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (absol) een bepaald geluid (klank) voortbrengenDie kerkklok klinkt heel helder.Ik probeer zo overtuigend mogelijk te klinken.'Zeg het maar eerlijk: ben je daarom met Gijs tussen de lakens gedoken, om mij te straffen?' Lauren probeert cynisch te klinken, maar ik hoor vooral haar onmacht.
- (inerg) een glas tegen dat van een ander stoten bij een heildronk, proostengraag willen we samen met u klinkenIk accepteerde de naam direct en we klonken met onze glazen cola om het te vieren.
- (ov) met klinknagels vastmaken, vastklinken
- (ov) vastspijkeren
Etymologie
* In de betekenis van ‘luiden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Uitdrukkingen
- een klinkende indruk maken
- iemand in de boeien klinken
Vertalingen
Engelssound, ring, clink
Duitsklingen
Spaanssonar, chocar, chincar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek