klokzeel

onzijdig (het)/ˈklɔksel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. touw waarmee een hoog opgehangen grote bel in beweging wordt gebracht om een op grote afstand hoorbaar geluid voort te brengen
    Zij nam het klokzeel bij het eindeen luidde de metten zo op tijddat men het hoorde wijd en zijd.

Etymologie

*van Middelnederlands "clockenseel", op te vatten als

Uitdrukkingen

  • aan het klokzeel hangen