klomp

mannelijk (de)/klɔmp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
    In het buitenland is het beeld van een Nederlander op klompen nog niet helemaal verdwenen.
  2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
    Hij deed er een klompje boter op.
  3. schoeisel (hockey), (schoeisel) van hard materiaal vervaardigd, beschermend schoeisel gedragen door doelverdedigers

Etymologie

* In de betekenis van ‘kluit, klont’ voor het eerst aangetroffen in 1377

Uitdrukkingen

  • Een boer op klompenIemand die lomp, onbeschoft e.d. is
  • Het op zijn/haar klompen (kunnen) aanvoelenVan tevoren weet van iets (kunnen) hebben, er een voorgevoel van (kunnen) krijgen
  • Nu breekt mijn klomp!Ik ben stomverbaasd/verbijsterd, ik sta nu verstomd te kijken
  • Zijn klompen wegbrengenNaar huis gaan
  • Zijn klompen wegzetten(eufemisme) Sterven

Vertalingen

Engelsclog, wooden shoe, clod
Franssabot, morceau, motte
DuitsHolzschuh, Klumpen
Spaanszueco, bola, terrón
Russischсабо, ком
Zweedsträsko