klonten

/ˈklɔntə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. één of enkele klonten vormen
    Het stijfsel begon na verloop van tijd te klonten.
    Poeder wil nog wel gaan klonten en zo haal ik het weer uit elkaar tot fijne stof.
    Een wollige of donzen winterjas kun je wassen en drogen met tennisballen of drogerballen. Zo blijft de jas goed en gaat de vulling niet klonten.

Etymologie

*: afgeleid van "klont"