klopjacht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈklɔpjɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jachttaal (jachttaal) grote drijfjacht op dieren
    Toen de heren Melville en de St. Mars naar hartelust het mooiste wild van de jacht geschoten hadden, oordeelden zij dat er nu nog een grote klopjacht moest gehouden worden om te eindigen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) stelselmatige opsporing en achtervolging om iemand te vangen
    De klopjacht die vervolgens op de dader werd ingezet duurde mede dankzij de inzet van hondengeleiders niet te lang, zo vervolgde Den Os.

Etymologie

* : tijdens de klopjacht klopten de drijvers met stokken op bussen, tegen bomen en struiken om het wild richting jagers te drijven

Vertalingen

Engelsbattue
Fransbattue
DuitsTreibjagd, Hetzjagd
Spaansbatida