knagen

/ˈknaɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. met de tanden aanvreten
    Termieten knagen aan alles wat van hout gebouwd is.
    De rest van de heilige reep knaagde ik in minuscule hapjes gedurende de dag op.
    Ik scheurde het pakje open, deed de kruiden over de droge mie en begon te knagen. Het was wel even wennen, ik was niet direct om.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kleine stukjes afbijten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1290

Vertalingen

Engelsgnaw
Fransronger
Duitsnagen
Spaansroer