knauw
/knɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- harde beetDe hond had hem een lelijke knauw in zijn been gegeven
- (figuurlijk) schade oplopenZijn gestel had van de longontsteking een flinke knauw gekregen
Etymologie
* "knauwen" zonder de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek