knuppel

mannelijk (de)/ˈknʏpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
    De bende kwam de straat in met knuppels en kettingen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘dikke stok’ voor het eerst aangetroffen in 1654

Uitdrukkingen

  • knuppel in het hoenderhok gooiende rust verstoren door dingen te zeggen waar mensen boos over worden

Vertalingen

Engelsbludgeon
DuitsKnüppel
Spaansporra, cachiporra
Turkscop