knut
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tweevleugeligen) een klein stekend mugje uit de familie van muggen uit de orde tweevleugeligen (Diptera). Ze worden ook knaasjes, knijten (Vlaanderen), knozels (Zuid-Nederland), mietsen (Noord-Nederland), mampieren (Suriname) of meurzen (Nieuwkoop) genoemd, en soms ook zandvliegjes, een benaming die in vaktaal op soorten uit de familie motmuggen of Psychodidae slaat. Wereldwijd komen er 5989 beschreven soorten voorEr is nu vastgesteld dat knutjes overdragers van de veeziekte blauwtong zijn.
Vertalingen
Engelsbiting midge, no-see-um, punkie
Fransarabis, brûlot, moucheron piqueur
DuitsGnitze, Bartmücke
Spaansbeatilla, chinche chupadora, chaquistle
Portugeesmaruim, mosquitinho-do-mangue
Poolskuczmany
Zweedssvidknott
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek