kobold
mannelijk (de)/ˈkobɔlt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een kwaadaardige kabouterman (in Germaanse vertellingen)Een groepje kobolden had alle borelingen in het dorp verwisseld.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘aardmannetje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1932
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek