koefnoen

mannelijk (de)/kufˈnun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ontbreken van tegenprestatie, niets
    Immers, de Vier Mijl is en blijft een wedstrijd om de koefnoen, er staat voor de lopers na het beuren van de startpremies niets meer op het spel.
  2. verouderd (verouderd) iemand met een vrijkaartje
    Jammer genoeg bleef Coda uitgeschakeld in de voorlaatste scène, die artistiek op niet te verantwoorden gronden gecoupeerd werd (juist een koefnoen eischt dan in de eerste plaats zijn "geld" terug).

Etymologie

[http://dbnl.nl/tekst/_gid001189701_01/_gid001189701_01_0003.php?q=koefnoen "Begrafenis." in: De Gids. jrg. 61 deel 1 (1897) P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam]; p. 87; geraadpleegd 2015-12-29