koehuid

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkuhœyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de vacht van een koe waar de haren nog niet van verwijderd zijn
    De beroemde meubels die hij ontworpen heeft, zoals de met koehuid beklede 'Chaise longue' uit 1929, en de robuuste vierkante fauteuils met verchroomde buizen ('Grand comfort', 1928), zijn waanzinnig populair. NRC Joop ten Velden 27 augustus 1990 [https://www.nrc.nl/nieuws/1990/08/27/het-domein-van-architect-le-corbusier-schepper-van-6939104-a920279 Het domein van architect Le Corbusier, schepper van eeuwige schoonheid; Sober geluk in de blokhut]
    In zijn kroniek van de dertiende eeuw schreef de Britse kloosterling Matthew Paris over 1240: ‘In dat jaar brak een verfoeilijk volk los uit zijn door bergen omringde vaderland. De massieve rotsen van de Kaukasus doordringend stormden zij voorwaarts als duivels. Zij dorsten naar bloed en drinken het ook, het vlees van honden en mensen verscheurend en verslindend; gekleed in koehuiden, gepantserd met ijzeren platen, gedrongen gebouwd, sterk en onoverwinnelijk.’ NRC Dirk Vlasblom 16 december 2006 [https://www.nrc.nl/nieuws/2006/12/16/de-ijzeren-horde-11246045-a669340 De ijzeren horde]

Vertalingen

Engelscow-hide, cow-skin