koeienziekte

vrouwelijk (de)/ˈkujə(n)ˌziktə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ziekte die bij koeien heerst
    Duitse koeienziekte baart melkveehouders in Twente zorgen: De Duitse veeziekte die rondwaart in 2.000 Duitse stallen baart melkveehouders in Twente en de Achterhoek grote zorgen.
    Toen de varkenspest of die verschrikkelijke koeienziekte - dat weet ik met meer - opnieuw dreigde toe te slaan, verzuchtte hij in het journaal van acht uur ‘Moge Gode dat verhoeden!’

Uitdrukkingen

  • krijg de koeienziekte